In de beginfase (werfperiode 2008) waren er in het zoet bufferbekken nog wat (schier)eilandjes in het water.
Dit gaf soms hogere eendenaantallen. Ook waren de grassen rondom de plas jonger en waren er verrassend veel krakeenden die daar op gingen "grazen". Voor mij toen een nog niet eerder gezien foerageergedrag voor deze soort. De jaren nadien verminderde dit gedrag in deze zone en gebeurde het meer op de grazige delen tussen het getijdengebied en de Beatrijslaan.

Regelmatig foerageren er op het bufferbekken duikeenden (kuif- en tafeleend), futen en aalscholvers. Voor waadvogels is de plas niet belangrijk.

Op het getijdengebied zaten in de beginperiode meerdere soorten in beperktere aantallen. Zowel vis- als planteneters, duik- en grondeleenden en waadvogels. Wellicht kwamen er toen nog vrij veel vissen mee naar binnen en konden ze in de restplas die bij laag tij overbleef overleven (of opgegeten worden).

Op de verst van de sluis gelegen oever was er een zand- en slikstrandje waarop o.a. kluten konden broeden; die evenwel verrast werden door het springtij waardoor hun nesten overspoelden. In een geul met diep uitgespoelde zandwanden broedde een kolonie oeverzwaluwen van ruim 100 koppels.

In de periode dat in de deels opgeslibde weel de inlaat afgesloten werd, konden een achttal koppels kluten jongen grootbrengen op de ruime slikvlakte; samen met enkele koppels kleine plevier en een mislukt broedgeval van bontbekplevier. De zandwand was verbrokkeld en er kwamen minder oeverzwaluwen tot broeden. Meerdere eendensoorten kwamen tot voortplanting; ook Canadese gans. In de opgeschoten begroeiing hadden blauwborst en rietgors hun nesten. in het riet broedde de kleine karekiet. Moerasandijvie kwam talrijk voor.

Bij het opnieuw openzetten van de sluis ging de opslibbing verder. Door de lange overspoelingstijd van het vooral fijne slib, gebeurde er weinig ontwatering van de slikplaten. Het slib kon in die omstandigheden niet stabiel worden, wat men "fluid mud" noemt. Hierin kunnen slechts weinig bodemdiertjes leven, er is dan ook weinig voedsel voor de dieren die een trap hoger op de voedselpiramide staan.

Enkel aan de geulranden foerageerden bergeenden en wintertalingen. Doorheen gans de periode kwamen jaarlijks meerdere koppels bergeenden succesvol tot broeden. Ook grauwe gans verscheen als broedvogel. Naast de blauwe reiger, kwam ook geregeld de lepelaar zijn visje meepikken.

Omdat het riet onder water stond weken de kleine karekieten uit naar binnendijks gebied. In 2015 werd vastgesteld dat de rechte hoofdgeul vanaf de sluis, was opgeslibd en dat het water binnen en buiten moest gaan via een grote meander. De instroom was minder krachtig geworden.

In een latere fase slibden de platen verder op en kwamen ze bij eb langer boven water. Hierdoor konden ze beter ontwateren en stabieler worden en kon er zich opvallend meer bodemleven in vestigen. De aantallen en de ruimtelijke verspreiding van wintertaling en bergeend namen gevoelig toe (respectievelijk 400 en 250).

Naar verwachting voeden de wintertalingen zich met in het slik levende wormpjes en de bergeenden doen zich te goed met de talrijk aanwezige wadslakjes, die over de volledige slikplaten voorkomen. Viseters als aalscholvers gingen er op achteruit.

Sedert dit voorjaar heb ik reeds enkele keren vastgesteld dat de hoogste delen van de slikplaten, bij hoog tij niet meer onder water komen. Het lijkt op het eerste zicht onmogelijk om boven het hoog tij uit te stijgen, maar daar is een verklaring voor. Als ze werden opgeslibd en opgehoogd door het springtij, dan kan het zijn dat ze in een periode van gewoon hoog tij niet meer volledig onder water komen.

De aantallen van wintertaling en bergeend zijn de laatste tijd erg hoog, wat als zeer gunstig kan aanzien worden. Toch vrees ik voor de toekomst. Als de opslibbing verder gaat en er veel minder getijdenwater nog kan binnenkomen, dan zal ook de toevoer van voedsel voor de bodemorganismen sterk verminderen en de voedselproductie voor waad- en watervogels beperkter worden. Ook door het niet meer geregeld overspoeld worden van de hoge slikplaten zullen de leefomstandigheden voor de bodemdiertjes ongunstiger worden.

Om de hoge natuurwaarde van dit gebied duurzaam te kunnen behouden, zal men op termijn een tweede -hoge- inlaatsluis moeten bouwen en de huidige constructie als -lage- uitlaat moeten laten functioneren. Dat geeft een betere doorstroming, met minder opslibbing of misschien een gedeeltelijke afkalving. Deze hoge inlaatsluis zou kunnen gebouwd worden tussen de weel en het asielcentrum of tussen het forensisch centrum en de E17. Het aan getijdenwater onderhevig gestelde gebied moet dan ook aan de noordzijde van de weel uitgebreid worden tot tegen de nieuwe "Sigmadijk" die rond de weel ligt.

Zo, dat is even losweg een terugblik op dit speciale gebied en een poging om vooruit te blikken naar haar duurzaamheid.
Alle reacties zijn welkom op dit e-mailadres.

Groeten,

René Maes, maart 2016